top of page

Op zoek naar ‘thuis’ op straat

Een kijkje in het leven van dak- en thuislozen

Het aantal dak- en thuislozen in Nederland groeit in rap tempo. Met name in Amsterdam is er een probleem: de stad komt zo’n 250 plekken voor daklozen tekort. Achter dit gebrek aan onderdak schuilt nog een ander probleem: deze groep heeft niet alleen geen dak boven het hoofd, ook een ‘thuisgevoel’ ontbreekt vaak. In een permanente status van onzekerheid is het nastreven van een thuisgevoel een manier om houvast te creëren. Hoe ziet deze zoektocht naar een thuis eruit?


Tekst: Lucca de Ruiter

Beeld: Sam van den Nieuwenhof

Erik (60) was wat je een ‘economische dakloze’ noemt: iemand die dakloos is, maar geen last heeft van verdere problematiek, zoals verslaving of psychische klachten. Zelf geeft Erik aan: ‘Veel mensen zeggen dat dakloos worden grotendeels je eigen schuld is, maar in mijn geval was het vooral veel pech hebben.’ Hij verloor zijn baan en belandde in een echtscheiding in een tijd dat zijn huis onder water stond. In één klap kwam hij op straat te staan. Aanvankelijk zocht hij naar een sociaal vangnet; hij sliep bij vrienden en familie op de bank. Dit hield hij enkele maanden vol, maar de situatie werd naarmate de tijd verstreek steeds penibeler: ‘Dakloos zijn is een soort moeras waar je steeds dieper in vast komt te zitten: hoe langer je dakloos bent, hoe minder mensen bereid zijn om je te helpen. Een paar dagen komen logeren is prima, maar als er geen uitzicht is op verbetering willen mensen niet het risico lopen dat je drie jaar lang in hun woonkamer bivakkeert.’

Wanneer het sociale vangnet wegvalt, is dit voor veel daklozen de beginfase van een proces waarbij ze steeds verder van de samenleving verwijderd raken. Zoals Erik benadrukte, speelt de pech-factor hierbij een grote rol. Overmatig drugs- en alcoholgebruik komt er in veel gevallen pas later bij. Verslaving is eerder een symptoom dan een oorzaak van dakloosheid.

‘Behandel mij als mens! Dat is alles wat ik vraag’

Socioloog Jan Willem Duyvendak stelt dat een ‘thuisgevoel’ een existentiële behoefte is en misschien zelfs wel een mensenrecht zou moeten zijn. Voor zo’n existentiële behoefte zijn mensen bereid heel ver te gaan, maar sommige pogingen om deze behoefte te vervullen werken averechts. Sonja (49) leefde toen ze in de twintig was anderhalf jaar lang op straat. Soms had zij seks met onbekende mannen in ruil voor een slaapplaats. Dit had grote gevolgen voor haar mentale gezondheid: ‘Je voelt je niet eens meer thuis in je eigen lichaam. Als je zoiets hebt meegemaakt kan je niemand meer vertrouwen.’ In de jaren daarna nam ze een gratis slaapplaats niet meer zomaar aan en al helemaal niet als het werd aangeboden door een man. In het zeldzame geval dat mensen aardig tegen haar waren, had ze er dus niet veel aan, want ze was altijd bang dat mensen misbruik van haar zouden maken.

Het niet weten waar je die avond zult slapen en de constante angst, die veel daklozen met zich meedragen, leiden tot grote onzekerheid. Door deze onzekerheid ontbreekt niet alleen het thuisgevoel in de traditionele zin, maar ook het thuisgevoel in de samenleving en in het eigen lichaam. Ook onder leeftijdsgenoten vond Sonja geen veilige haven. Vroeger ging ze wel eens naar de universiteitsbibliotheek om op te warmen en om gebruik te maken van een schoon toilet. Maar hier werd ze eigenlijk alleen maar droevig van: ‘Tussen de gewone en vrolijke studenten lopen, benadrukte juist hoe slecht ik het voor elkaar had en hoe mijn leven er ook uit had kunnen zien. Dat voelt alsof je helemaal niks gemeen hebt met andere mensen van je leeftijd.’

Bij het voorleggen van het idee dat een thuis een existentiële behoefte is aan Erik, stelde hij dat het hebben van een thuisgevoel, op wat voor manier dan ook, misschien nog wel belangrijker is dan het hebben van fysiek onderdak. Volgens hem wordt een thuis in Nederland niet gezien als prioriteit, althans: we hebben er niet genoeg geld voor over. Toen hij dakloos was, heeft hij een keer aangeklopt bij een stichting. De eerste vraag die ze hem daar stelden was: ‘Ben je verslaafd of ziek?’. Dat was hij niet. De hulpverlener antwoordde daarop dat ze hem dan niet kon helpen. Erik vervolgt: ‘Ik snap nu wel dat je eerst de mensen helpt die echt van het padje af zijn, maar op zo’n moment heb je daar niet zo veel begrip voor.’

Juist de mensen die zich pijnlijk bewust zijn van hun eigen situatie en wanhopig op zoek zijn naar verbetering en naar een manier om te settelen moeten zich zien te redden met minimale hulp, in tegenstelling tot mensen die duidelijke problematiek met zich meebrengen zoals verslaving. Dit kan ervoor zorgen dat de situatie uitzichtloos lijkt. Rob (52) brengt het als volgt onder woorden: ‘Je kunt niet vooruit en niet achteruit. Je zit vast en het voelt alsof niemand je komt redden.’

Home is where…

Maar waar kun je dan wél een thuisgevoel creëren zonder huis? Dima (28) is verkoper van een daklozenkrant bij de metrohalte op de Wibautstraat in Amsterdam en stelt: ‘Thuis… ja thuis als dakloze kan van alles zijn. Als je geen osso [huis] hebt, kan een kopje koffie of een warme deken al thuiskomen zijn. Thuis als dakloze is… warmte. Ik moet altijd lachen om van die bordjes die mensen vaak in huis hebben waar dan op staat: “enjoy the little things”, of zo. Ik zou zeggen dat dat eigenlijk iets is waar mensen die juist géén huis hebben het allerbeste in zijn.’

Sonja raakte licht ontroerd door deze vraag: ‘Ik word hier een beetje verdrietig van, want ik kan alleen maar bedenken waar ik me níet thuis heb gevoeld.’ Ze beschrijft de nachtopvang als een ‘hel’: ‘Er zijn altijd vechtpartijen en als je niet oplet word je bestolen. Je moet flink aan de drugs zijn om daar een nacht door te kunnen slapen.’ Sonja sliep altijd met schoenen aan. Dat was een regel die ze voor zichzelf had opgesteld. ‘Dan kan je meteen wegrennen of iemand een schop geven. Als je thuis bent hoeft dat meestal niet… Dus je bent thuis wanneer je zonder schoenen kan slapen!’

Wij als voorbijgangers hebben grote invloed op hoe daklozen de alledaagse realiteit van hun situatie ervaren. Tijdens een middag met een verkoper van de straatkrant, Youssef, een drieëntwintigjarige voormalige automonteur, besloot ik een experiment uit te voeren. Youssef gaf me een stapel kranten en ging op zijn vaste standplaats staan. Om de hoek ging ik hetzelfde doen. Ik verkocht minder, waarvoor Youssef als verklaring gaf dat er bij mij geen medelijden is omdat ik duidelijk niet dakloos ben. Mensen sloegen mijn aanbod echter beleefd af en vroegen nieuwsgierig wat ik met die kranten aan het doen was. Bij Youssef was het omgekeerde het geval: soms verkocht hij wat, maar veel mensen liepen hem straal voorbij zonder hem ook maar gedag te zeggen. Een vrouw in een kokerrok en hoge hakken legde zelfs het geld op de grond neer, alsof ze bang was hem aan te raken. ‘Hoe kan ik me hier ooit thuis voelen als anderen me niet eens behandelen als medemens maar als paria’, vroeg Youssef zich verontwaardigd af.

Voor het creëren van een thuisgevoel voor deze kwetsbare groep zijn niet alleen meer opvangplekken en meer steun voor daklozen nodig, maar ook een verandering in de houding van veel mensen. Of zoals Selemani (33) het treffend verwoordde: ’Als iedereen hallo terug zou zeggen, naar me zou glimlachen en heel af en toe een krantje zou kopen, zou dat een wereld van verschil maken.’

0 views0 comments

Comments


bottom of page